Over de meerwaardebelasting is al veel gezegd en geschreven. Ook BZB-Fedafin is actief betrokken in dit dossier. Enerzijds door onze leden actief te informeren via onze nieuwsbrieven, anderzijds door actief lobbywerk. Zo zijn we vanuit BZB-Fedafin tevreden dat het fiscaal pensioensparen werd uitgesloten van het toepassingsgebied. BZB-Fedafin heeft herhaaldelijk benadrukt dat fiscale pensioenspaarproducten en het aanvullend pensioen dat bij de werkgever opgebouwd wordt een noodzakelijke aanvulling vormen op het wettelijk pensioenstelsel. Dit extra belasten zou cynisch zijn. Anderzijds betreuren we vanuit BZB-Fedafin dat diezelfde logica niet is doorgetrokken tot de niet-fiscale spaarverzekering (tak 21). Het is net die tak 21 die voor jouw doorsnee klant een eenvoudige en relatief risicoloze manier vormt om aan langetermijnsparen te doen. Van speculatie of significante meerwaarden is hier geen sprake.
Bovendien vraagt de meerwaardebelasting ook de nodige waakzaamheid van jou als tussenpersoon. Klanten die voor hun gemak kiezen voor het systeem van de opt-in (waarbij de meerwaardebelasting bij elke transactie automatisch wordt ingehouden), kunnen dit pas ruim een jaar later - wanneer de belastingaangifte verwerkt is - terugclaimen. Een rechtstreekse financiering van de Belgische staat, waar jouw klant mogelijk niet van op de hoogte is.
Toch zien we ook opportuniteiten. Bijvoorbeeld voor verzekeringsfondsen. In tegenstelling tot de klassieke aandelen, hebben beleggers de mogelijkheid om hun tak 23-verzekering te 'arbitreren'. Tijdens de looptijd van het verzekeringscontract is er immers geen uitkering en wordt geen meerwaarde verwezenlijkt. Gevolg: klanten kunnen binnen hun bestaande contracten fondsen vervangen, zonder dat ze hierbij onderworpen zijn aan de meerwaardebelasting. In vergelijking met de bancaire producten heeft de klant meer speelruimte, zonder de administratieve last die samengaat met de meerwaardebelasting. Bespreek dit dus zeker met jouw klanten.
Hoe dan ook kunnen we enkel vaststellen dat de meerwaardebelasting op 01.01.2026 in voege is getreden. Een goedgekeurde wettekst ontbreekt echter nog, waardoor we momenteel met een overgangsregeling zitten. Vanuit BZB-Fedafin hebben we beslist om niet te wachten op de definitieve wetteksten om jou te informeren. We hebben dan ook alle beschikbare informatie gebundeld en in een heldere en overzichtelijke FAQ gegoten.
Opgelet!
Deze FAQ werd opgesteld op basis van de huidige interpretatie van de beschikbare ontwerpteksten.Niet alle details zijn momenteel gekend. De definitieve wetteksten werden nog niet goedgekeurd. We formuleren dan ook het nodige voorbehoud voor het aanbrengen van latere wijzigingen.
1. WELKE PRODUCTEN VALLEN ONDER DE MEERWAARDEBELASTING?
De financiële activa die onder de meerwaardebelasting vallen, kunnen opgesplitst worden in 4 categorieën:
A. Beleggingen in financiële instrumenten zoals o.a. aandelen, obligaties, fondsen/trackers, …
Het is wel belangrijk om voor ogen te houden dat inkomsten maar 1 keer belast kunnen worden. Voor obligaties betekent dat bijvoorbeeld dat de uitgekeerde coupons – reeds onderworpen aan de roerende voorheffing – niet onder de meerwaardebelasting zullen vallen.
B. Bepaalde verzekeringscontracten, waaronder de niet-fiscale spaar- en beleggingsverzekeringen (tak 21, 23, 44, …) en kapitalisatieproducten
Opgelet: voor de niet-fiscale tak 21-verzekering geldt een uitzondering. Voorziet die namelijk uitsluitend in een uitkering in het geval van overlijden (overlijdensdekking), als terugbetaling van het kapitaal van een krediet of uitvaartkosten, dan valt dit niet onder de meerwaardebelasting (vb. schuldsaldoverzekering).
Ook hier geldt overigens de regel dat zaken slechts eenmaal belast worden. Gevolg: een tak 21-levensverzekering die men verkoopt vóór de periode van 8 jaar voorbij is, is onderworpen aan de roerende voorheffing. Hier is geen meerwaardebelasting vereist. Eenzelfde redenering gaat op bij de tak 26-producten. Hier betaal je altijd een roerende voorheffing op de intresten en winstdeelname. Ook hier is dus geen sprake van een meerwaardebelasting.
C. Cryptoactiva
D. Valuta, waaronder ook (beleggings)goud
Het louter aanhouden van gelden op een betaalrekening valt niet onder de meerwaardebelasting. Er zal wel sprake zijn van een belastbare meerwaarde als men een rekening opent in een vreemde valuta en een meerwaarde realiseert bij de omzetting naar euro.
Wat goud betreft, wordt er verwezen naar een Europese richtlijn. Denk onder meer aan gouden staven of plaatjes met een zuiverheid van ten minste 995/1000.
2. WELKE PRODUCTEN VALLEN NIET ONDER DE MEERWAARDE-BELASTING?
Zaken als een zicht- of spaarrekening vallen niet onder de meerwaardebelasting. Hetzelfde geldt voor termijnrekeningen. Dat moet wel genuanceerd worden: bij omzetting van een rekening in een vreemde munt naar euro is er wel sprake van een belastbare meerwaarde (zie punt 1).
Ook de fiscale spaar- en beleggingsverzekeringen zijn vrijgesteld. Ook de producten uit de tweede pijler, zoals een groepsverzekering, vallen onder de vrijstelling.
Tot slot herhalen we nog eens wat al in punt 1 staat: zaken waarvoor je een roerende voorheffing voor betaald hebt, vallen niet onder de meerwaardebelasting. Dat is onder meer het geval voor tak 26-producten.
3. WANNEER IS ER EEN MEERWAARDE / MINDERWAARDE?
Eenvoudig gezegd: de meerwaarde is het positief verschil tussen de verkoopwaarde en de aankoopwaarde. Een meer- of minderwaarde moet gerealiseerd worden. Er moet dus sprake zijn van een effectieve verkoop / uitkering.
Opgelet: kosten of (beurs)taksen die men naar aanleiding van een bepaalde verrichting betaald heeft, mogen niet in mindering worden gebracht!
Bij aandelen is dit dus eenvoudig. Bij spaar- en beleggingsverzekeringen wordt de meerwaarde berekend op basis van het verschil tussen de uitgekeerde kapitalen of afkoopwaarden enerzijds en de gestorte premies anderzijds.
4. GENEREERT EEN SWITCH VAN BELEGGINGSFONDSEN BINNEN TAK 23-VERZEKERINGEN EEN BELASTBARE MEERWAARDE? TRIGGERT EEN WIJZIGING BINNEN EEN TAK 44-VERZEKERING EEN BELASTBARE MEERWAARDE?
Neen. Zoals verduidelijkt in punt 3 moet er sprake zijn van een uitkering bij leven / afkoopwaarde. Een wijziging tussen beleggingsfondsen in een tak 23-verzekering of een wijziging binnen een tak 44-verzekering zorgt niet voor de realisatie van een meerwaarde.
5. IK HAD REEDS VOOR 31 DECEMBER 2025 FINANCIËLE ACTIVA AANGEKOCHT. WAT ZIJN DE GEVOLGEN?
A. Voor wat betreft aandelen
In principe zal gekeken worden naar de koers op 31 december 2025 als referentiewaarde. Mogelijk lag de oorspronkelijke aankoopkoers echter hoger. Tot en met 31 december 2030 kan je de meerwaarde berekenen op basis van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde i.p.v. de waarde op 31 december 2025. Je zal dit wel moeten kunnen aantonen met de nodige bewijskrachtige documenten (aankoopborderellen, bankafschriften,…).
Op die manier voorkom je dat er geen rekening gehouden wordt met eventuele minwaarden voor 31 december 2025.
Vanaf 2031 zal er altijd gekeken worden naar de koers die gold op 31 december 2025.
Voorbeeld:
Ik kocht in 2010 aandelen voor 1.000 euro. Op 31 december 2025 zijn die aandelen nog maar 750 euro waard.
Stel: je verkoopt de aandelen in 2027 voor 1.500 euro. De meerwaarde is dan 500 euro (1.500 – de oorspronkelijke aanschaffingswaarde)
Stel: je verkoopt de aandelen in 2031 voor 1.500 euro. De meerwaarde is dan 750 euro (1.500 – de waarde op 31 december 2025)
B. Voor wat betreft levensverzekeringen
Ook dan wordt er gekeken naar de opgebouwde reserve (gestorte premies + eventueel rendement) op 31 december 2025 als referentiepunt. Zeker bij een tak 23-verzekering bestaat echter de kans dat de som van de gestorte premies hoger is dan de waarde van de polis. Ook hier voorziet de wetgever een mogelijkheid om rekening te houden met waardeverminderingen die zich voordeden voor 31 december 2025: tot en met 31 december 2030 heb je de mogelijkheid om het totaal van de gestorte premies (op 31 december 2025) als referentiepunt te gebruiken i.p.v. de opgebouwde reserve.
Voorbeeld:
Scenario 1:
Ik sloot in 2015 een tak 23-verzekering af. Jaarlijks stort ik 1.000 euro. Op 31 december 2025 bedraagt de reserve 15.000 euro (10.000 euro aan stortingen + 5.000 euro rendement). In 2026 en 2027 doe ik nog 2 stortingen van telkens 1.000 euro. Het contract loopt af in 2027 met een opgebouwd reserve van 20.000 euro. De meerwaarde is hier 20.000 – (15.000+2.000) => 3.000 euro.
Scenario 2:
Ik sloot in 2015 een tak 23-verzekering af. Jaarlijks stort ik 1.000 euro. Op 31 december 2025 bedraagt de reserve 8.000 euro (10.000 euro aan stortingen – 2.000 euro verlies). In 2026 en 2027 doe ik nog 2 stortingen van telkens 1.000 euro. Het contract loopt van in 2027 met een opgebouwd reserve van 20.000 euro.
De opgebouwde reserve op 31 december 2025 (8.000 euro) is lager dan totaal van de gestorte premies op dat moment (10.000 euro). Aangezien de polis afloopt voor 31 december 2030, kan ik het totaal van de gestorte premies (10.000 euro) als referentie gebruiken. De meerwaarde is hier: 20.000 – (10.000 + 2.000) => 8.000 euro.
Mocht diezelfde polis (zonder verdere bijstortingen) aflopen in 2031 met een opgebouwd reserve van 20.000 euro, dan was de meerwaarde: 20.000 – (8.000 + 2.000) => 10.000 euro.
6. IK STORT PERIODIEK EEN BEDRAG IN EEN FONDS. HOE BEREKEN IK MIJN MEERWAARDE?
In dat geval zal er bij elke aankoop doorgaans sprake zijn van een verschillende aankoopkoers.
Ook hier moeten we een opsplitsing maken:
- Aankopen na 31 december 2025. Dan zal het FIFO-principe gelden: First In First Out. De aandelen die eerst zijn aangekocht, worden als eerste verkocht. Er wordt dus gekeken naar de aankoopkoers van de ‘oudste’ aandelen.
- Aankopen voor 31 december 2025. In punt 4 gaven we reeds aan dat er in principe gekeken wordt naar de koers op 31 december 2025, tenzij je kan aantonen dat de effectieve aanschaffingswaarde hoger lag. Bij gespreide aankopen voor 31 december 2025 zal in dat geval een gemiddelde aankoopwaarde bepaald worden.
Voorbeeld:
- 2024: opstart fonds, aankoop 10 aandelen voor 1.000 euro (100 per aandeel)
- 2025: aankoop 10 aandelen voor 900 euro (90 per aandeel)
- 31 december 2025: waarde per aandeel in het fonds is gezakt naar 80 euro. Dat is minder dan de gemiddelde aankoopkoers (= 95 euro). Tot 31 december 2030 kan je - mits de nodige bewijsstukken - deze gemiddelde aankoopkoers als referentie gebruiken.
- 2026: aankoop 10 aandelen voor 900 euro (90 per aandeel)
- 2027: verkoop 10 aandelen voor 1000 euro (100 per aandeel)
De meerwaarde bedraagt hier: (10 x 100) – (10 x 95) = 50 euro
7. DE VRIJSTELLING - HOEVEEL BEDRAAGT ZE?
Jaarlijks heeft iedere belastingplichtige recht op een vrijstelling van 10.000 euro. Dat bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Die vrijstelling geldt per belastingplichtige. Gehuwden (tenzij met scheiding van goederen) kunnen de vrijstelling dus gewoon optellen.
8. DE VRIJSTELLING - WAT ALS ER GEEN GEBRUIK VAN WORDT GEMAAKT?
De wetgeving voorziet in de mogelijkheid om jaarlijks 1.000 euro van de vrijstelling over te zetten naar het volgend jaar als je er geen gebruik van maakt. Dit met een maximum van 15.000 euro. Maak je dus 5 jaar lang geen gebruik van de vrijstelling, dan zal die in totaal 15.000 euro bedragen. Dat is de grens: verdere overdracht van de vrijstelling wordt niet aanvaard. Ook dit geldt per belastingplichtige.
Het is dus aan jou om uit te rekenen wat het meest interessant is: elk jaar meerwaarden realiseren en gebruik maken van de vrijstelling? Of enkele jaren geen meerwaarde realiseren om dan gebruik te maken van een hogere vrijstelling?
Voorbeeld:
Scenario 1:
Je hebt een aandelenportefeuille. In 2026 kan je in principe beroep doen op de vrijstelling van 10.000 euro. Je realiseert in 2026 echter geen enkele meerwaarde (omdat je geen aandelen verkoopt met winst). Je kan het volledige bedrag van 1.000 euro overdragen naar volgend jaar. In 2027 beschik je dus over een vrijstelling van 11.000 euro.
Stel dat je in 2027 een meerwaarde van 1.000 realiseert, dan zal die eerst worden aangerekend op de overgedragen 1.000 euro. Met andere woorden, ook in 2027 raak je niet aan de vrijstelling van 10.000 euro. Je kan opnieuw 1.000 euro overdragen, zodat je in 2028 een vrijstelling hebt van 11.000 euro.
Scenario 2:
Je hebt een aandelenportefeuille. In 2026 kan je in principe beroep doen op de vrijstelling van 10.000 euro. Je realiseert in 2026 echter geen enkele meerwaarde (omdat je geen aandelen verkoopt met winst). Je kan het volledige bedrag van 1.000 euro overdragen naar volgend jaar. In 2027 beschik je dus over een vrijstelling van 11.000 euro.
Stel dat je in 2027 een meerwaarde van 2.500 euro realiseert. In de eerste plaats zal 1.000 euro aangerekend worden op de 1.000 euro die je in 2026 hebt overgedragen naar 2027. De resterende 1.500 euro wordt aangerekend op de basisvrijstelling van 10.000 euro. Aangezien dit de 1.000 euro overschrijdt, is er geen overdracht naar 2028. In 2028 heb je een vrijstelling van 10.000 euro.
9. DE VRIJSTELLING - HOE CLAIM IK ZE?
Je moet de vrijstelling zelf claimen via de belastingaangifte. Banken zullen er zelf geen rekening mee (kunnen) houden.
Er zijn 3 scenario’s m.b.t. de inning van de meerwaardebelasting:
- Belgische broker die de belasting automatisch inhoudt (opt-in);
- Belgische broker die de belasting niet inhoudt (opt-out);
- Buitenlandse broker die niet inhoudt.
Kies je voor de opt-in, dan zal de meerwaardebelasting automatisch ingehouden worden als je jouw activa met winst verkoopt (bronheffing). De instelling houdt dit in en stort het door naar de fiscus.
Voordeel: eenvoud. De belasting wordt automatisch betaald. Je hoeft in principe niets meer te doen. Dit verzekert jou ook van een zekere anonimiteit, je hoeft zelf niets actief aan te geven bij de fiscus.
Nadeel: de belasting wordt ingehouden bij elke verkoop met winst. Dit ongeacht of je al dan niet de vrijstellingsgrens van 10.000 euro bereikt hebt. Wil je gebruik maken van de vrijstelling, dan zal je de meerwaarden toch moeten aangeven.
Bovendien zal je moeten wachten. De vrijstelling krijg je pas nadat de belastingaangifte verwerkt werd. Met andere woorden, je financiert de staat gedurende 1 tot 2 jaar.
Kies je voor de opt-out, dan zal de meerwaardebelasting niet ingehouden worden. Je moet ze zelf aangeven via jouw belastingaangifte.
Voordeel: je geeft de meerwaarde aan via de belastingaangifte. Je kan hierbij onmiddellijk rekening houden met eventuele minwaarden en de vrijstelling zal onmiddellijk verrekend worden. Je financiert dus niets.
Nadeel: dit vraagt iets meer werk. Mogelijk krijg je van de bankinstelling jaarlijks wel een overzicht, wat de zaken vereenvoudigt. Ook geef je eventuele anonimiteit op, aangezien je actief zaken moet aangeven.
Opgelet!
Op het moment waarop deze FAQ wordt opgesteld, zijn er nog geen wetteksten beschikbaar. Deze moeten nog goedgekeurd worden in het parlement. Om die reden geldt er momenteel een overgangsregeling: bij verkopen tussen 1 januari 2026 en de inwerkingtreding van de wet zullen banken de taks niet afhouden, tenzij je er als klant uitdrukkelijk om vraagt.
Pas nadat de wetteksten gepubliceerd worden, zal het systeem van de opt-in / opt-out beschikbaar worden. Controleer dus zeker hoe jouw bankinstelling dit regelt!
10. WAT ALS MEN VERSCHILLENDE FINANCIËLE ACTIVA HEEFT?
Het is realistisch dat een persoon zowel een aandelenportefeuille als een levensverzekering (niet-fiscaal) heeft.
Stel dat men op het ene een meerwaarde heeft en op het andere een minderwaarde. De wetgever schrijft expliciet voor dat men het gerealiseerd verlies op een verzekeringsproduct bijvoorbeeld kan afzetten tegen een gerealiseerde winst op een bancair product. Voorwaarde is dan wel dat dit binnen hetzelfde belastbare tijdperk gebeurt.
Voorbeeld:
Cfr. de berekening in punt 3 heeft mijn levensverzekering een minwaarde van 5.000 euro in 2026, het jaar waarin de polis afloopt. Ik heb daarnaast een aandelenportefeuille, waarmee ik in 2026 een meerwaarde realiseer van 15.000 euro.
Gevolg: de gerealiseerde minwaarde van 5.000 kan afgetrokken worden van de gerealiseerde meerwaarde van 15.000 euro. Er is dus een belastbare meerwaarde van 10.000 euro. Die valt volledig onder de vrijstelling van 10.000 euro. Er moet geen meerwaardebelasting betaald worden.
11. WAT MET SCHENKINGEN EN ERFENISSEN?
Een schenking of een erfenis wordt niet gezien als een transactie die resulteert in een meerwaardebelasting. Bevat een nalatenschap dus een aandelenportefeuille, dan zal hier geen meerwaardebelasting op moeten worden betaald.
Let wel: als de erfgenaam dit later verkoopt, zal er wel meerwaardebelasting moeten worden betaald. En daarbij moet gekeken worden naar de aankoopkoers, niet naar de koers op het moment van de erfenis.
12. WAT MET EEN ECHTSCHEIDING?
Stel dat een aandelenportefeuille behoort tot de huwgemeenschap. Naar aanleiding van een echtscheiding vindt een vereffening-verdeling van de huwgemeenschap plaats. Dit houdt een uitonverdeeldheidtreding in voor de aandelenportefeuille die tot de gemeenschap behoorde.
De wetgever heeft expliciet aangegeven dat eventuele meerwaarden die hierbij gerealiseerd worden, vrijgesteld zijn. Opgelet: wacht hier niet mee. De uitonverdeeldheidtreding moet binnen de 3 jaar na de echtscheiding plaatsvinden.
13. WAT MET EEN AANMERKELIJK BELANG?
Investeert men in een vennootschap en bezit men daardoor minstens 20% van die onderneming, dan kan men bij de verkoop gebruik maken van een vrijstelling. Het gaat om een vrijstelling van 1.000.000 euro.
Zit men boven de drempel van 1.000.000 euro? Dan wordt er meerwaardebelasting gehoffen, op een getrapte wijze: startend vanaf 1,25% bij 1.000.000 euro tot 10% bij 10.000.000 euro.
Nog een verschil met de ‘klassieke’ meerwaardebelasting, is dat hier geen systeem van opt-out of opt-in bestaat: je moet ze zelf aangeven via de belastingaangifte.
FAQ meerwaardebelasting